IK VOEL ME LACHERIG EN KALM TEGELIJK

In het pikkedonker fiets ik van het station naar het huis van oom Theo en schrik me een ongeluk als er vlak voor mijn wiel iets wegkruipt. Een egel, zo te zien. Ik had niets door, zo met mijn hoofd in de wolken, maar nu ineens lijkt alles weer kraakhelder. Ik adem de zwoele nachtlucht in. Ik voel me lacherig en kalm tegelijk.

Amper zeven uur geleden stond ik bij het station, in afwachting van Robert. Quasinonchalant, maar vanbinnen bloednerveus, checkte ik mijn telefoon. ‘Ik ben onderweg’, stond er. Niet veel later liep hij grijnzend op me af. We kusten elkaar zachtjes op de mond en keken elkaar aan, allebei een beetje verlegen. Toen nog een kus, en wat plagend beet ik hem even in zijn onderlip. “Kom,” zei hij, “dan halen we nog precies de trein.”

Even later zaten we dicht tegen elkaar gedrukt in de overvolle trein. We praatten over onze bezigheden van die dag en over de salade die hij voor me wilde maken. “We moeten straks nog wel even de boodschappen halen”, verontschuldigde hij zich. Robert had zijn fiets bij het centraal station in de fietsenflat staan. Ik sprong achterop en met mijn armen om zijn middel reden we het drukke stadsverkeer in. Van het ene op het andere  moment waande ik me weer in mijn studententijd en ik genoot van het korte ritje naar de  Albert Heijn.

Al snel hadden we alle ingrediënten, inclusief een flesje witte wijn, en zo fietsten we verder naar zijn tijdelijke appartement aan de rand van het centrum. Ik herkende de bakkerij waar ik ooit een blauwe maandag een bijbaantje had en kroegjes en restaurantjes die ik ooit had bezocht.

Toen waren we er al. Drie trappen klommen we op voordat we in het kleine appartement van zijn neef stonden. Robert en zijn ex wisselden elkaar af, net zoals Dirk en ik dat deden in ons huis. Er was een bed, een kleine bank, een boekenkast en een minuscuul keukentje. Op de gang bevond zich een kleine badkamer met wc. Veel oog had ik er niet voor.

Mijn aandacht was bij Robert. Het leek op de een of andere manier alsof ik alles van een afstandje aanschouwde. En toch: op hetzelfde moment was ik volledig aanwezig. We praatten, we dronken en we aten en ik was volkomen ontspannen. Toen we na het eten op de bank belandden en elkaar kusten, bestond er niets anders dan het kussen en strelen en zo belandden we in bed. Een beetje verdwaasd rookten we na afloop een sigaretje. “O jee, de trein”, dacht ik ineens hardop.

“Blijf je niet slapen dan?” vroeg Robert verbaasd. Maar mijn buren hadden me op het hart gedrukt om dat niet te doen als ik hem echt leuk vond.

Dus ik nam afscheid en vertrok.

Zachtjes zet ik mijn fiets in de schuur van oom Theo en sluip naar boven.

“Ben je daar?” hoor ik uit zijn slaapkamer.

“Ja hoor, oom Theo. Ik ben thuis”, antwoord ik.

In bed doe ik mijn ogen dicht en voel hoe vlinders fladderen in mijn buik.     

Reageer